Church and village

Het rijsthout dat wij verzamelen:

zet het overeind en het is een hut;

trek het omver: daar is het veld weer


Junichiro Tanizaki.

 

 

De overgang tussen de site van de kerk en de gemeente, tussen het project en de omgeving wordt een ketting van pleinen waarlangs enerzijds de kerk en anderzijds gemeentefuncties – cultuurcentrum, jeugdhuis, pastorij, bibliotheek, serviceflats – zijn gedrapeerd, het cultuurplein, waarop wordt geparkeerd, het verkeersplein, met inplanting van bomen en groen, het groenplein, waarop kermis, markten & feesten kunnen plaatsgrijpen, het commercieël plein. De stedelijke ruimtes zijn daarbij een antwoord op de effectieve vraag naar meer ruimte voor het invullen van een echte centrumfunctie en als drager van  gemeenschapsfuncties.

 

Het volume van de kerk gedraagt zich daarbij op het plein eerder autonoom en de massa  wordt opgetild zodat een volledig onderdoorzicht / doorlicht ontstaat en de negatieve ruimte zorg draagt voor een eenheid van de volumes ( toren & kerk)  en een samenhang van de site. De massa wordt gedragen door licht, waardoor de zwaartekracht als het ware wordt opgegeven. Daarbij gaat het volume als het ware zweven in het licht en roept daarbij een mystieke dimensie op. Het licht brengt de constructie in een schemerzone tussen 2 – dimensionaliteit en 3 dimensionaliteit, tussen het vlak en de ruimte, tussen rationeel en irrationeel,  sacraliteit?

 

De kerk is geen gebouw, maar een plein in de schemerzone tussen gemeente en gebouw, een open organische struktuur. Het gebouw is dan ook niet “soortgelijk” als een kerk, maar specifiek met een sterke identitiet, een duidelijke geschiedenis en een architectuur met de grootst mogelijke tactiliteit, gebaseerd op lichamelijkheid, vanitas en sfeer. Daarbij heeft de kerk, ondanks z’n volledige openheid op het niveau van de gemeente,  een sterke eigenheid. Het plein verandert daarbij voortdurend, het verkleedt zich, het transformeert. Het evolueert van vuurtoren naar  lichtbaken, van kerk naar cinemazaal, van stadsplein naar huiskamer. Er zijn daarbij  heel wat verschillende gebruiksmogelijkheden: kerkruimte, cinemazaal, kinderopvang, vergaderruimte, congresruimte, voorstellingen, tentoonstellingen, workshop, De inplanting van de kerk is zodanig dat een juiste relatie / koppeling ontstaat met de toren. Daarbij wordt een maximale ruimte gegarandeerd voor het gemeentehuis. Het plein waarop de kerk is ingeplant creëert een welbepaalde intimiteit, een overgang van de openheid van het plein voor het gemeentehuis naar de intimitiet van het interieur van de kerk. De hoogte van de kerk is gerelateerd aan de hoogte van de toren zonder spits en zorgt ervoor dat een fluïdum ontstaat naar boven toe, wat mede door een samengang van zenitaal licht en licht dat van onderuit komt, zorgt voor een sterke sacrale beleving.

 

Door de wijdsheid die hier wordt ingevoerd, ontstaat een beeld van rust. Een beeld waarbij het grondvlak (de kasseien) heel de kern, op een hechte manier aan elkaar bindt. Het is een beeld dat de versnippering wil uitsluiten, waarbij men in de veelheid van tekens, het spreekwoordelijke bos door de bomen niet meer ziet. De enige hierarchische differentiatie die hier wordt ingebracht zijn enerzijds de kleurverandering van lichtbruin ( -overal-) naar zwart , op de plaats waar het plein “onder” de kerk doorschuift, om zo een verbinding te maken met het gemeentehuis, waarbij aldus, het spirituele en het profane als ikonen van de dorpsgemeenschap, visueel met elkaar worden verbonden door middel van een lijnig vlak. Er is eveneens in de Kerkstraat, de pleinvormige, zwarte strook die over de straat schuift, die als een indicator dient voor het naderen van de eigenlijke kern, maar die ook een uitgeschoven vlak fungeert, dat de aanwezigheid van de oude Pastorietuin suggereert. Er worden bomen “gestrooid” doorheen de ruimte, – het liefst van één eenvoudige soort : bvb eik , christusdoorn…. – die zo een zwevend bind-element van het totaalbeeld wordt. Tevens dienen de bomen ook als aangenaam schaduwelement. Ze flankeren doelbewust de weg niet (als bvb bij een dreef) maar hebben een onregelmatig ritme, wat op zich pschychologisch ook snelheidsremmend werkt.

 

De kerk is geen gemeentehuis, geen paleis, geen museum, het is een hedendaagse site. Het is een  symbool voor de gemeente, een gemeenschapsplaats bij uitstek. Het is een stil monument, helder en duidelijk van opbouw, Het is archaïsch als een tentconstructie cf. Tanizaki hierboven, waarbij de ogen dienen te wennen aan het summiere licht. Het is groter dan alles errond en verbergt z’n functie achter een abstracte gevel. Het bouwt geheugen. Het kapselt de site in. Het maakt half herinnerde beelden los en herinnert aan lichamelijkheid en sterfelijkheid. Het reorganiseert het dorpslandschap rond z’n perimeter.  Het proclameert z’n mening niet maar het is van een zelfconsistent retorisch niveau. De ruimte stijgt naar een fluïdum, de hemel, de god, het straalt mysterieus.  Een hellend vlak, gedeeltelijk verlopend tussen een ontdubbelde wand, herbergt de kruisweg en heeft op specifieke plaatsen een specifieke zintuiglijke beleving.

 

De kerksite wordt een nieuw organisme en niet enkel een nieuwe organisatie.