New Opera House

De Psycho-geografie van de plek:

De site is een kritische grens met een dubbele horizon: de kunstmatige verbrokkelde horizon van de stad en het binnenland en de absolute horizon van de zee. De site sluit aan bij het lopend zeelandschap, een sequentiële streep met z’n ritmische, steeds veranderende  modellering en een sterke horizontaliteit.

 

Een introïdus tegenover de stad:

De overgang tussen het project en de stad, tussen het project en de omgeving wordt een plein.

Het Operaplein is een “ clairiëre”, als een oer-open plek voor rituelen in het oerbos .

Het Operaplein wordt dan een overbelichte plaats en een plek voor Operarituelen.

De massa  wordt opgetild zodat een volledig onderdoorzicht ontstaat en de specificiteit van de site, de sterke horizontaliteit, onaangeroerd blijft.

Dit is de noodzakelijke dissonantie: van buitenuit is er niets, het verdwijnt, van binnenuit is er het meest vreemde voorwerp, als een UFO die geland is aan de fjord.

Het gebouw  gaat dan ook een relatie aan van onbestendigheid met z’n omgeving.

Het plein wordt alzo een stromende ruimte, een verdwijnende architectuur.

De pleinrondgang, die los is van de grond en zweeft, wordt een onderdoorpoort naar het Operaplein en de zee.

De overgangsstrook is 7 m laag en creëert een spanning met de 35.50 m hoge binnenplaats.

cfr. Venetië, spanning tussen stegen en pleinen.

 

Palladio:

Het oudste nog bestaande operagebouw,  het Teatro Olimpico op de Piazza Matteotti in Vicenza, dateert uit 1580, de tijd van het ontstaan en de oorsprong van “Opera”.

Als reminiscentie naar de oorsprong wordt als universele factor – de opera is al lang geen Italiaanse aangelegenheid meer, noch een Europese of een Noorse, maar is inmiddels wijdverspreid en wijdvermaard – het geometrisch patroon van Palladio’s villa’s gebruikt als bepaling van de pleinverhouding en als bepalend element van de 3D enveloppe.

Het is een schema, ontdekt door Wittkower, met negen vlakken die in drie stroken zijn gegroepeerd, terwijl het in de langsrichting door twee smallere “ secundaire” stroken wordt doorsneden. Zoals bij Palladio wordt dit universeel geometrisch patroon gedeformeerd zodat het vervolgens “ zo helder en eenvoudig mogelijk wordt aangepast aan de specifieke eisen van de opdracht” (Wittkower) en het Operaprogramma feilloos wordt ingepast. De metrische opbouw van dit schema volgt daarbij een eenvoudig proportioneel procédé, afgeleid van de Venetiaanse muziektheorie uit die tijd.

 

Vice – versa:

Vanop de Operatoren wordt het binnenplein overbelicht.

Vanuit de stad gezien wordt dit een mysterieuze roodgloeiende lichtbaken – het licht reflecteert immers op de rode operazalen – waarbij het licht volgens een vast schema, winter en zomer identiek, aan- en afslaat zodat de lange winterdagen lichter worden en er een vast ritme ontstaat, een resonantie die als referentie dient vergelijkbaar met bijvoorbeeld “ Big Ben ” in Londen.

 

Onze leefwereld is geëvolueerd naar mediatieke voorstellingen van een ruisloze perfectie en wordt stilaan quasi unitair technologisch.

De bedoeling van het Operaplein is dan ook een perfecte coherentie te verwezenlijken  tussen een gesofistikeerd buitenaards technisch mirakelpaleis en een architectuur met de groots mogelijke tactiliteit gebaseerd op lichamelijkheid, vanitas en sfeer zodat zowel de Geeks als de Landbouwers er zich  thuis kunnen voelen en segregatie en elitarisme worden gebannen. Hierdoor wordt het geen paradijs van de consumptie, maar een “echte” gemeenplaats.

De Opera is dan ook geen gebouw, maar een plein in de schermerzone tussen stad en gebouw, geen capsulair plein, maar een open organische structuur. Het is dan ook niet “soortgelijk” als opera maar specifiek met een sterke identiteit en een duidelijke geschiedenis.

Daarbij heeft het plein, ondanks z’n volledige openheid op het niveau van de stad,  een zeer sterke eigenheid.

De buitenruimte is gesitueerd aan de binnenkant, extrovert en introvert. De buitenbekleding van de pleinrondgang is eenvoudig en uniform in horizontale donkere planken uitgevoerd  met summiere strookopeningen waar nodig voor de achterliggende functies.

Het entertainment speelt zich volledig af op het plein binnen het stedelijk schutsel.

De binnenkant van het schutsel, aan de water zone, is een gesofistikeerde interactieve gevel die doorzichtig kan zijn, die opaak kan zijn, die projectiescherm kan zijn, die open en gesloten kan zijn, die uitstraalt en die capteert.

Inkijken en uitkijken.

Op die manier kan wat er zich in de zalen afspeelt, integraal weergegeven worden op het plein,

dat dan operazaal wordt.

De vastelandzone van het plein is zodanig aangelegd dat er een conische helling is gecreëerd naar de waterzone toe, zodat enerzijds eb en vloed te voelen en mee te maken zijn op het

pleinen anderzijds de projecties op het plein op een comfortabele manier kunnen gevolgd worden.

Het plein verandert voortdurend, het verkleedt zich, het transformeert.

Het evolueert van vuurtoren naar  lichtbaken, van operazaal naar cinemazaal, van

reclamebureau naar poëziekrant, van stadsplein naar huiskamer,

 

Clair – obscur:

De belichting van het Operaplein zorgt voor een zweeftoestand.

De massa wordt gedragen door licht, waardoor de zwaartekracht als het ware wordt opgegeven .

Het licht komt onderdoor buitenwaarts. De circulatie gaat onderdoor binnenwaarts.

Het tegenlicht brengt de constructie in een schemerzone tussen 2 – dimensionaliteit en 3 dimensionaliteit, tussen het vlak en de ruimte, tussen rationeel en irrationeel,  sacraliteit?

 

Connection:

Over het plein zijn een zevental bruggen geslagen, snelle verbindingen. Zo is de foyer bijkomend rechtstreeks verbonden met de oefenruimtes en kan de manager rechtstreeks naar de workshops, is het foyer op 3 niveaus verbonden met de kleine zaal en zijn de kleedkamers verbonden met de oefenruimtes.

 

De Opera:

Een stil monument:

Het  karakteristieke aan de Noorse houten kerken is vooral de tactiliteit en de eenvoud.

Ze zijn niet schreeuwerig aanwezig.

Het zijn stille monumenten, helder en duidelijk van opbouw.

Bij het betreden van deze ruimtes, overdondert de sterke geur van hout. De ogen dienen te wennen aan het summiere licht. Het is er muisstil.

Nochtans zijn het  monumenten met een grote uitstraling, stille monumenten.

Ze zijn groter dan alles errond.

Ze verbergen hun functie achter een abstracte gevel.

Ze bouwen een geheugen.

Ze kapselen de site in.

Ze maken half herinnerde beelden los.

Ze herinneren aan lichamelijkheid, sterfelijkheid.

Ze organiseren het landschap rond hun perimeter.

Ze zijn een symbool.

Ze herbergen een enigma.

 

Het Operaplein is geen kerk, geen paleis, geen museum, het is een hedendaagse site.

Het is groter dan alles errond.

Het verbergt z’n functie tegenover de stad en z’n omgeving achter een unificerend stedelijk schutsel.

Het vervormt historische prototypes in vormen en functies die hedendaags zijn.

Het bouwt geheugen.

Het kapselt de plek in.

Het maakt half herinnerde beelden los.

Het herinnert aan lichamelijkheid en sterfelijkheid.

Het is hedendaags. Het heeft een sterke scheiding tussen binnen en buiten. Het proclameert z’n mening niet maar het is van een zelfconsistent retorisch niveau.

Het reorganiseert het stedelijk landschap rond z’n perimeter.

Het is een universeel symbool voor de Opera in Europa, een gemeenschapsplaats bij uitstek.

Het straalt mysterieus.

 

Programma:

Zie hiervoor de bijgevoegde schema’s die de organisatie van het programma verduidelijken.

De driedeling wordt ook de basis van de hiërarchie in het programma.

Het programma is aldus georganiseerd volgens 3 echelons.

  1. Opera: actief

sanguinisch, rood, passie, emotie

De 2 operazalen zijn gesitueerd op het plein – bediende ruimtes –  en hebben een duidelijk te onderscheiden specifieke vorm met een isolerende rode  mantel die het licht rood reflecteert en de rode gloed meebrengt. De zaalvolumes zijn volledig los van elkaar met hun respectievelijke specifieke vorm van operazaal en flexibele zaal, zodat er doorzicht en duidelijkheid is.

  1. Publiek: reactief

melancholisch

Het publiek kan snel in en uit het gebouw via liften en trappen en kan er langzaam doorheen  in alle rust via hellingsbanen die aangrijpen op het plein en onder het schutsel  (= bescherming) zacht omhoog lopen over het binnenwater.

  1. Ondersteuning: dynamisch

Flegmatisch

Alle ondersteunende functies bevinden zich verspreid aanwezig  in het stedelijk schutsel  rond het plein – dienende ruimtes – en zijn koud tegen elkaar geplaatst op de meest geschikte ligging voor een zo goed mogelijk functioneren van het geheel.

De verschillende functies zijn vanop het plein duidelijk te onderscheiden.

De mens is een kijkbeest en kan zo met gulzige blik de opbouw van een decor in de workshops mee beleven.

Inkijken en uitkijken.

 

Circulatie:

Zie hiervoor de bijgevoegde schema’s die de circulatie toelichten en verduidelijken.

 

Structuur:

Zie hiervoor de bijgevoegde schema’s die de structurele opbouw verduidelijken.

 

Materialen:

De materialisatie gebeurt zoveel mogelijk in duurzame of milieuvriendelijke bouwmaterialen.

De pleinrondgang zweeft 7 m boven het pleinniveau en is quasi volledig in hout.

Het steunt op kolommen in gelamineerd azobéhout  met duurzaamheidsklasse 1, dat uitsluitend voorkomt van gecertificeerde houtwinning en een FSC label heeft. De houten gelamineerde kolommen lopen door over de ganse hoogte van het gebouw , en versmallen naar boven toe. De overspanningen van de binnenruimtes gebeurt door gelamineerde liggers in Noors grenenhout, afmetingen volgens wijdte en gewicht. De binnenwanden en de vloerbekledingen van deze zones zijn eveneens in hout gerealiseerd.

De buitenbekleding van de pleinrondgang is volledig in horizontale azobéplanken, uitsluitend met FSC certificaat, met summiere strookopeningen waar nodig voor de achterliggende functies.

De binnenbekleding van de pleinrondgang is volledig glas, doorzichtig en diffuus volgens de noodwendigheid en de functie.

De technische verdieping, gesitueerd tussen de workshops in het schutsel aan de Tollbugata’s forlengelse,  is naar het binnenplein afgewerkt met  fotovoltaïsche zonne-collectoren voor het opwekken van duurzame energie,  zo  een 450 m2 wat 35.000 kWh stroom per jaar meebrengt.

De binnenbekleding van de pleinrondgang deel waterzone  is een interactieve gevel dienstig zoals hoger beschreven.

Volgens de brandvoorschriften zijn op exacte afstanden betonnen kokers ingebracht. Deze herbergen telkens de liften, de trappen en/of noodtrappen, het sanitair voor de medewerkers van de Opera. Deze kokers hangen eveneens 7 m boven het pleinniveau en worden gedragen door betonnen kolommen. Enkel de toegangsliften in hun respectievelijke  liftkokers gaan door tot op het niveau van het plein, met uitzondering van de koker aan café en restaurant, waar ook de goederenlift doorgaat tot op het plein voor bevoorrading. De noodtrappen kunnen met een wentelsysteem bij nood naar beneden wentelen tot het niveau van het plein.

 

De hoofdstructuur van de grote en de kleine operazaal is een gewapend betonstructuur aan de buitenkant voorzien van een thermisch isolerende mantel van 30 cm dik in rode rubber, in langse banen aangebracht van de inkom naar de stage toe en aan de binnenkant van de zaal voorzien van een akoestische mantel, 30 cm dik in rood vilt eveneens  in langse banen  aangebracht.

 

De zalen zijn ontworpen volgens de gebruiksvoorzieningen zoals omschreven in de opgave en volgens akoestische principes zoals beschreven in de studie “ Auditorium acoustics and architectural Design”  chapter nine “ Acoustics for opera” van Michael Barron.

 

De cluster van toneeltoren, stage, side stage, understages, het achterpodium en de orkestruimtes zijn een betonskelet die rondom bekleed is met reglitglas, dat 4,5 m hoger doorloopt dan de eigenlijke toren en waarachter de hoofdverlichting van het plein is gesitueerd, de buitenprojectiekabine en de installatie die de energie verkregen via de fotovoltaïsche collectoren omzet in elektriciteit.

 

Het plein zelf, deel vastelandzone, is conisch aangelegd zoals hoger beschreven en is een verlengstuk van de Oslovoetpaden en dan ook in hetzelfde materiaal.

Het plein deel waterzone blijft onaangetast.

 

Flexibiliteit:

Gezien de snel evoluerende wereld, werden in het schutsel een tweetal zones open gelaten, één aan de zijstraat van het vastelandsgedeelte, de Akerselva en één aan de waterzone, openingen die beide goed bereikbaar blijven.

De Opera  kan hierdoor evolueren en komt niet vast te zitten, uitbreiding blijft mogelijk als er in de tijd noodzakelijke wijzigingen of aanvullingen aan het huidige programma mochten nodig zijn.

Deze ruimtes kunnen dan op een eenvoudige manier  ingevuld worden en een mogelijke bijkomende ruimte genereren van 15.000 m3. Door bijkomende bruggen over het plein, kunnen de nieuwe zones op om het even welk onderdeel van het programma worden aangesloten.

 

Omgeving:

Bij een ontwikkeling zoals voorgesteld in de studie bijgevoegd in het wedstrijddossier, dient als maximale hoogte van de omgeving aan de stadzijde, de Tollbugata’s forlengelse, de  maximale hoogte van het Operapleinschutsel te worden vastgelegd.

Bij de verdere ontwikkeling van de omgeving van de fjord en de landtong dient de openheid op het pleinniveau, het niveau van de stad, zo groot mogelijk te zijn zodat de specifieke horizontaliteit van de plek niet in het gedrang komt.

 

 

Zo wordt de Operasite een nieuw organisme en niet enkel een nieuwe organisatie.